NATASJA EXEL



overbuurmeisje (1): proloog

Nu alles achter de rug is en ik weer gewoon elke vrijdagochtend met een karretje in de rij voor de kassa bij de Jumbo sta en de inhoud daarvan normale dingen bevat als broccoli, bananen, desem spelt broodjes, Alpro, Lindt 78% (niet voor mij), eigen merk melkchocola (je raadt het al), paprika chips, diepvries blauwe bessen en Franse sperziebonen, kan ik me nauwelijks een voorstelling maken van wat er de afgelopen maanden is gebeurd en wat er allemaal voorgoed veranderd is en, om eerlijk te zijn, ik probeer het ook niet.
 Dit, hier in de supermarkt, is een van de weinige momenten waarop mijn selectief geheugen optimaal functioneert. En deze zaligheid herhaalt zich elke vrijdag. Ik besef dat. Willens en wetens laat ik het gebeuren, trap ik er blijmoedig en met open ogen in, omdat ik dat wil. Een moment van zelfbeschikking. Een moment dat het leven normaal lijkt. Een leugen, ja, maar een goddelijke.
 Het kan lang duren, soms zelfs helemaal tot ik de winkel weer verlaat en soms is het al over als ik nog halverwege voor het schap met de waanzinnig diverse selectie pindakaas sta.

Vandaag kwam ik tot bij de kassa, zei goedemorgen, rekte net mijn arm uit om de laatste dingen op de band te leggen, toen de wereld stopte omdat een snerpende gil als een speer via de open glijdende schuifdeuren de winkel binnenschoot, kaatste op de plastic platen boven de servicebalie en rondzong in de ruimte tot hij zachtjes weg stierf tussen de schappen. Mijn kassière, haar collega’s en de klanten binnen de geluidscirkel verstijfden. De man achter mij liet zijn emmer boerenyoghurt met aardbeien los, naast de band. KRAK, FLATS.
 De enige die niet reageerde, was ik. Daar schrok ík dan weer van, maar corrigeerde dat door heel erg langzaam te stoppen met bewegen tot ik rechtop stond en met de anderen meekeek in de richting vanwaar het geluid kwam dat ‘ons’ visioenen van pijn, verminking en bloedspuitende wonden gaf. Ik sloeg zelfs een hand voor mijn mond, als generale repetitie, wetende dat de kans groot was dat ik dat straks nog een keer voor het echt zou doen. De intensiteit daarvan — schok, walging of teleurstelling — zou afhangen van wat ik aantrof. Op dit moment kon ik nog denken dat het niets was, maar dat geloofde ik zelf niet. De gil had die illusie onmogelijk gemaakt. Ik wist dat er nu enige haast geboden was en ik hier moest afronden, want er had vast iemand de politie gebeld.

Met de loeizware rugtas rugtas om ging ik op weg naar buiten en trok al lopend mijn handschoenen aan. De ervaring heeft me geleerd dat bloed kleeft. Je kunt bij wijze van spreken nog beter je hand in een pot honing steken, dat heb je er tenminste in een paar minuten met warm water en zeep weer af, bloed plakt voor dagen en vereist industriële zeep (FYI).
 Ik stapte naar buiten en schrok van het zonlicht (ook dit gebeurt telkens weer na zo’n space-out-moment, zal het ooit wennen?). Snel zette ik mijn zonnebril op en trok de klep van mijn pet verder naar voren. Links, rechts en op de parkeerplaats voor me stonden mensen schimpig te doen, aan elkaar te klitten en te wijzen, sommige hielden hun telefoon voor zich uit. Onnodig te zeggen dat ik hem daardoor snel vond. Schuin tegenover de ingang en voor de overkapping waaronder de winkelwagentjes wonen, zat Henk. De ketting met het cijferslot waarmee ik hem aan de lantaarnpaal om de hoek had gelegd, hield hij in zijn bek, de schakels gebroken. Wéér een ketting naar de klote. Ook zag ik dat er bloed van zijn sik drupte en versnelde mijn pas. Zijn grote zwarte lijf en zijn oren schoten overeind toen hij mij zag, zijn staart sloeg grote cirkels. Mijn hart sprong mee in de rondgang.
 En ik wist, dat wat ik zo ook zou aantreffen, wat hij mij ook zou laten zien en zou proberen uit te leggen, dat ik gek op hem was en dat een relatieve kleinigheid als verminking, moord of een beetje bijten, me daar niet van zou weerhouden.

Ik snap dat je nu denkt, pardon? Moord? Waar gaat dit in jezusnaam over? Ik begrijp het volkomen, die fase van ‘normaal’ moreel redeneren ben ik ook doorgegaan en geloof me: gaat voorbij. Echt. Later, als je meer weet van wat er gebeurd is, dan zul je het begrijpen.
 Wat ik nu wil zeggen is dat ik dankbaar ben voor hem, voor Henk. Hij heeft me gered toen ik het niet voor mogelijk hield dat iets of iemand in deze wereld dat nog zou kunnen en ik geen reden zag om mezelf nog langer met mijn aanwezigheid te kwellen. En ik ben dankbaar voor haar, mijn overbuurmeisje — ook al vertrouw ik haar voor geen meter en is ze een van de weinige ondode entiteiten die ik als het moet zou proberen te doden —, want zij bracht me hem.

Nu ik mijn draai begin te vinden in mijn nieuwe normaal en ik ben begonnen met het opruimen van de chaos waarin ik bijna een jaar geleden in verzeild raakte (of veroorzaakt heb, dat weet ik niet goed) wil ik die hele periode afsluiten, deleten en misschien zelfs grotendeels vergeten. Hoewel ik geloof dat dat laatste ijdele hoop is. Een selectief geheugen is ook maar een pleister op een slagaderlijke bloeding.
 Veelbelovend is het nieuws dat ik mijn computer weer aan de praat heb gekregen, mijn telefoon heb teruggevonden en daarmee vermoedelijk alle berichten die ik de afgelopen maanden schreef en (een deel daarvan) verstuurde.
 Dat we er samen doorheen gaan maakt het voor mij iets dragelijker en hopelijk voor jou iets duidelijker. Henk zit naast me en zal me corrigeren of aanvullen waar nodig. Het moet wel gezegd: ik weet niet precies wat we zullen aantreffen, dus ik hou een slag om de arm. Jou ben ik bij voorbaat dankbaar voor je geduld en maak alvast excuses voor als ik je afschrik, maar vraag je vol te houden tot het eind.

Ik heb alle berichten die ik kon vinden op volgorde gezet, dus we beginnen bij het begin, althans, dat denk ik. In ieder geval, dit is mijn verhaal.