NATASJA EXEL



overbuurmeisje (11): onderzoek

Bericht 10. — uit notitieboek, vervolg op vervolg, maar dan een dag later geschreven (ja, ik weet ook niet waarom) 17-01-2022



Ik had dus een afspraak. En als ik het goed begrepen had, wel direct. Op zich goed, want ik ben beter in proactieve rudimentaire reacties als ik voor het blok gezet wordt.

Als zich in mijn hersenen precies die samenloop van omstandigheden voordoet, kunnen er twee dingen gebeuren:

  1. óf ik zeg direct onwillekeurig keihard ‘neen’, waar ik er anders minstens een week over zou moeten nadenken en elke dag zesentwintig keer in gedachten hetzelfde gesprek zou voeren, in vele variaties met telkens dezelfde afloop: dat ik dus echt niet wil (daar is nooit twijfel over) maar uiteindelijk dus wel ga. Er is ook altijd één variatie waarin ik door een bus de straat over geketst wordt en niet hoef, maar als ik dan uit het ziekenhuis kom (op krukken) ik ook gewoon ga.

  2. óf ik ga. Punt. En dan zonder een hele overweging en/of afweging, plus- en minlijstjes en rollenspel. Dit was er zo een.

Ik holde naar de kamer waar mijn kleding zich voordeed als een bijzonder dik tapijt. Vond een zwarte hoodie en trok die aan bij mijn knellende zwarte broek. De capuchon vouwde ik over mijn hoofd en sjorde mijn broek aan de pijpen iets naar beneden in de hoop dat… Nee, zat nog steeds kut.
 In de weerspiegeling van het raam zag ik mijn neefje van zeventien, maar dan korter en ronder. Toch had het iets van opzet. Zij had een kostuum, nu had ik er ook een.
 Ik plakte mijn nieuwe en nog stijve zwarte gympen dicht en deed het nog een keer, want er klonk zo’n typisch jaren ’90 geluid, toen alles in de wereld nog van klittenband aan elkaar hing. Dat was een wereld die ik begreep en ik voelde me er gesterkt door, waarschijnlijk, zo stelde ik me voor, hetzelfde gevoel dat zij kreeg als zij in haar weerspiegeling die tanden zag en dan met haar armen op en neer fladderde en een sissend geluid maakte.

Alleen dat kon niet, bedacht ik me, want vampiers hebben geen weerspiegeling. Zelfs niet als ze met hun bek tegen een spiegelend oppervlak gaan staan. Niets. Ledigheid. Mijn onderzoek was daar zeer eenduidig in. Maar omdat negentig procent bloeddrinkende nachtkruipers nogal fraaie exemplaren zijn, vervalt de banale noodzaak van een spiegelbeeld dat gecontroleerd moet worden.
 Tot die laatste conclusie was ik zelf gekomen omdat geen enkel onderzoek dit had behandeld vanuit het perspectief van de vampier. Het leek het me daarom een goed onderwerp om achter de hand te houden voor onze ontmoeting.
 Vooral voor het geval dat, nouja, iets met mond vol tanden.

Ik veerde de trap af, rukte de voordeur open, sprong in één keer van het zes-tredige-trapje, deed een hertensprong van de stoep en stond midden op straat.
Hahaaa! Wat dacht je van die entree, bitches!

Tot zij dus uit de lucht kwam zeilen en met een onwaarschijnlijke lichtvoetige elegantie recht voor me landde, haar vermoedelijke vleugels liet verdwijnen in het duister achter haar en me met een schuin hoofd aankeek alsof ik het leukste was dat ze in tijden had gezien.

We kenden elkaar duidelijk nog niet.