NATASJA EXEL



overbuurmeisje (12): regels

Bericht 11. — uit notitieboek, vervolg op vervolg op vervolg 18-01-2022

(Gezien het rottige handschrift vermoed ik dat de reden dat dit weer een dag later is geschreven trauma gerelateerd is. Gelukkig is de herinnering hieraan als een inktvlek door mijn hippocampus gesijpeld).



We stonden tegenover elkaar.

Ik was vergeten of andere mensen ook de vampier zien die jij ziet, want zo niet, dan zouden de medestraatbewoners als ze naar buiten keken, mij daar in mijn eentje zien staan. Midden op straat. In het donker. Ik weet niet of ik een reputatie heb in de straat, maar het zou het begin van een kunnen zijn. Dus ik besloot niet teveel te bewegen en vooral niet te hard te praten.
Gelukkig was ik verkleed.

We bekeken elkaar.

Als eerste zag ik haar blote voeten en dat deed me wat. Ik dacht dat ik er slecht aan toe was geweest de afgelopen dagen, maar ik had nooit met mijn nakende voetzolen de straat aangeraakt. Getver. Ze droeg het witte nachthemd dat ik eerder had gezien en van dichtbij leek het zo dun dat het om haar heen hing als spinrag. Haar huid was blanker dan ik ooit had gezien en haar lange haar glansde als zijde in het licht van die lachende maan en de lantaarnpaal. Haar schijnbare kwetsbaarheid was adembenemend. En ik had de neiging om haar aan te raken.
Gelukkig hield ik me in.

We spraken tegelijk.

 ‘Ik zag je…’ zeiden we. En moesten (best hard) lachen. Ik keek om me heen. En niet alleen vanwege de buren. Ik wilde vooral niet naar haar kijken, omdat ik nog niet klaar was voor die tanden van zo dichtbij. Maar het feit dat we elkaar gezien hadden vond ik ontroerend. Want hoe vaak zie je mensen nou echt. Er viel iets van mijn schouders, het rolde zo over mijn rug de straat op en verdween zoals haar vleugels hadden gedaan, in het duister. Ik kon weer adem halen en ik voelde me daadwerkelijk beter dan een uur geleden. En met die opluchting vergat ik al mijn onderzoek, waarschuwingen en regels omtrent de omgang met dit specifieke ondode mythische wezen en zei:
 ‘Zeg, ik heb een paar vragen over spiegelbeelden enzo’.
 ‘Natuurlijk’, zei ze en ze stak haar hand uit.
Waarom ze dat deed? Echt totaal geen enkel zinnig idee, ja, behalve krank-zinnig.
Hier was niets gelukkigs aan.

We sperden tegelijkertijd onze ogen belachelijk wijd open.

En in een milliseconde ging het mis. Het ding wat op mij afkwam was geen hand, maar een soort uitgerekte klauw. Ik gilde (echt keihard). Zij gilde (al zou ik dat achteraf meer als krijsen bestempelen).

We renden allebei een kant op.

Gelukkig.