NATASJA EXEL



overbuurmeisje (14): benaderbaar

Bericht 13. — eerste deel — uit notitieboek

22-01-2022


Onze conversaties hadden tot nu bestaan uit gebaren, liplezen en zinnen van minder dan drie woorden en gegil.

Met die wankele basis zaten we tegenover elkaar in de salon en keken beurtelings naar de ander en dan snel weer weg. We hadden nu al veel gemeen. Ik wist niet waarom zij zo deed, maar ik was nog steeds als de dood voor die tanden. Terwijl ze me tot nu toe niets gedaan hadden.

Angst voor de angst, is het. Zwerende, rottende pus is het, wondkorsten verkleefd met de tere, weke, zwakke delen van je ziel, pus dat zich etterend, stinkend en borrelend uit de gaten van je schijnvertoning perst en…(ja, ja, zo is het wel goed).

Zinloos, die angst, zou een Noorman je desgevraagd vertellen.

(en waarschijnlijk ook ongevraagd: ‘Jij. Bent. NIET. Bang!’ en je dan, puur ter lering, een tetser met een hamer op je kop geven. Net zo lang tot je inderdaad niet meer bang bent - of niet meer weet ‘hoe’)

Het is iets met dat het lot al vaststond ofzo op het moment dat werd geboren en dat je de dood moet verwelkomen als iets superleuks en het als een gouden handdruk voor geleverde diensten moet zien om het Walhalla te mogen betreden en niet meer terug te hoeven keren naar het leven op aarde. Sterf waardig jij viking. En vrees niet, mijn moordlustige zoon. Odin bezit u allen! Oorah!
 Maar ik dwaal af, want het is dus wel cruciaal bij deze opvatting dat je in het Walhalla gelooft en daar ben ik nog niet over uit. Ik zou er waarschijnlijk wel toe in staat zijn als ik echt bang was, maar dan kom ik er dus niet in omdat ik ongetwijfeld in mijn broek pieste toen ik eraan ging en waarschijnlijk ook gilde (gillen tijdens het loodje leggen of gelegd worden is absoluut not done). Het is een catch 22.

Dus ik keek voornamelijk vanuit mijn ooghoeken enigszins in haar richting en roteerde daarbij mijn hoofd van links naar rechts. Na een tijdje bleef zij mij wel aankijken, want telkens als ik mijn hoofd naar haar draaide, zag ik dat. Ik realiseerde me ineens hoe ik erbij zat met mijn capuchon nog op: als een totaal onbenaderbare zwarte teletubbie. Dus trok ik, om maar iets toe te geven, de capuchon van mijn overhitte hoofd.
 Ze moest het opgevat hebben als een teken, want het leek erop dat ze iets ging zeggen. Ik zag het aan hoe haar ogen zich opensperden en verkleurden van blauw naar wit (arg). Snel keek ik weg op het moment dat haar lippen van elkaar gingen. Helaas gingen mijn ogen zelf iets doen en rolde naar de ooghoeken waardoor ik haar toch zag.
 Ze hield haar hand voor haar mond (zo lief) en zei:
 ‘Het Walhalla bestaat. En het is glorieus. Maar dat maakt voor jou en mij geen ene reet uit. Ik ben duidelijk goddeloos en kom dus nevernooit door de screening. En jij baggert zo ongeveer in zeven kleuren je broek vol en gilt als een klein meisje bij het zien van een paar fucking tanden. Dus, vergeet het maar, Tinky Winky.’

Ik keek naar de engelachtige verschijning op de groen fluwelen bank (#killingme #decorationgoals) en was niet zo zeer verbaasd over wat ze zei, als wel hoe ze het zei. Nou, nou, dacht ik. Maar het gekke was dat ik, nu ze klonk als een bootwerker, haar wel durfde aan te kijken.

Ik keek niet meer weg.

En langzaam liet ze haar hand zakken.