NATASJA EXEL



overbuurmeisje (15): oplossing

Bericht 13. — tweede deel — uit notitieboek

22-01-2022


 ‘Ik ben eenzaam.’
 ‘Ik ook.’

Ik weet niet meer wie van ons het eerst zei. Maar dat maakt ook niet uit, het kwam voor ons beide ergens uit een harde klonterige bodem heel diep binnen.

We bedachten dat we misschien samen dingen konden gaan doen, maar daar kwam meteen een logistiek probleem om de hoek omdat zij het vooral van de nacht moest hebben en ik een soort van vast zat aan de dag. Hoewel we moesten concluderen dat het voor de een (voor haar) lastiger was om dat aan te passen, dan voor de ander (voor mij). Ja, inderdaad, vanwege dageraad, zonlicht, etc., zou zij het bekopen met een definitieve versie van de dood. Terwijl het voor mij gewoon om verplichtingen ging die plaats moesten vinden binnen het dagdeel dat de andere mensen dat normaal vonden. (Hé flapdrol, welke verplichtingen?)

Daarop volgde een hele discussie over wat normaal was, maar aangezien dat dus heel erg subjectief blijkt te zijn, kwamen we er niet uit. Gelukkig konden we erg lachen om hoever onze ‘normalen’ wel niet uit elkaar lagen: geen werelddelen, maar melkwegstelsels.
 Maar daar waar onze werelden lichtjaren van elkaar verwijderd waren, kwamen we op andere vlakken dichter tot elkaar. Zoals dat ik begon te wennen aan haar tanden en ze geleidelijk ‘normaal’ ging vinden. Net zoals ik de K9’s in de krokodillenbek van de herdershond die ik ooit had (die WIJ ooit hadden), na een tijdje niet meer zag. Soms slechts voelde. Hahaha, auw, godver, you little…. Ik was er nooit echt bang voor geweest (anderen wel, hehe).
 Op haar beurt wist zij op een gegeven moment de vluchtreactie (of aanvalsreactie, hou me ten goede) te onderdrukken ten gevolge van mijn ongecontroleerde schrikstuipen als ik weer eens leek te beseffen met wat ik eigenlijk zat te keuvelen.
 Toen het bijna ochtend werd, moest ze er vandoor. Terug naar de overkant. Voor ze ging legde ze haar hand op mijn arm. IJzige kou trok door de stof van de hoodie, zakte door mijn huid en wrong zich in mijn botten. Maar ik trok me niet terug. Het was te lang geleden dat iemand (iets) me had aangeraakt.
 Behalve de bewaker van de Jumbo dan.

‘De eenzaamheid is tastbaar.’
Fluisterde ik even later toen ik boven voor het raam stond. Mijn hart kneep mijn keel dicht. Vanaf de overkant, vanachter haar raam, antwoorde ze in mijn hoofd.

Ik ben er.