NATASJA EXEL



overbuurmeisje (2): de gordijnen

Bericht 1. — van computer, Outlook, 08-01-2022
 Waarom gericht aan M.? Ik bedoel, waarom!? Ze is niet eens een echte vriendin. Ja, vroeger wel. Nouja, ander verhaal. M. = hippe instamoeder, heeft knappe man en rare, doch hippe kinderen.



Hoi M.,

Ik stuur je deze mail, want ik weet niet zeker wat er gaat gebeuren. Nee, ik moet eerlijk zijn, want dat is een understatement. Ik moet zeggen: ik weet niet zeker of mijn leven in gevaar is. Ja, dat klinkt dramatisch, maar na wat ik vannacht heb gezien is die kans ineens procentueel enorm gestegen. Ik zag namelijk iets wat ik beter niet had kunnen zien.

Ik zal het vertellen, bij het begin beginnen en het kort houden.

Regelmatig sta ik achter het raam van mijn huiskamer naar buiten te kijken de straat in. Ik heb goed zicht op zo’n driekwart van de straat omdat mijn huiskamer zich op de eerste verdieping bevindt. Het is een bezigheid die ik heb opgepikt in de eerste lockdown toen, toevalligerwijs, ook mijn schrijversblok begon. Ik word er rustig van en soms weet ik zelfs niet meer hoe lang ik er gestaan heb tot ik het ineens koud krijg.
 Er komen allerlei voorbijgangers door de straat en ik bekijk ze: wat hebben ze aan? Een jas, een T-shirt? Broek, jurk. Daaruit leid ik af wat voor weer het moet zijn. Soms leg ik mijn hand op het raam en probeer het te voelen, dat weer. Ik kijk hoe de mensen bewegen en hoor ze praten tegen elkaar of iemand die ze waarschijnlijk aan de telefoon hebben (steeds moeilijker te zien), zie hoe ze stoppen als de kat van de overburen hun pad blokkeert en zij bukken om hem te aaien. Wat hij dan wel of niet toelaat. In het laatste geval hoor ik ze gillen of lachen, zie hoe ze zelfbewust worden en snel doorlopen. Soms kijk ik waarschijnlijk te lang of te intens, want er zijn mensen die om zich heen kijken alsof ze zich bespied voelen. En terecht. Een enkeling keek zelfs op in mijn richting. Zag hij mij? Ik weet het niet zeker. Ik hoop alleen de weerspiegeling van de lucht in het raam.

Nu, inmiddels in de tweede lockdown, zag ik dus, terwijl ik daar stond, voor het eerst dat de gordijnen van mijn overbuurmeisje overdag dicht zijn. Toevallig had ik haar gezien op de dag dat ze haar intrek nam in de kamer op de eerste verdieping en wist daardoor dat ze de nieuwe huurster was van mijn overburen. En wat ik ook al wist, toen ik die ene keer naar de straat-borrel ging en de overbuurvrouw sprak, dat die kamer de kleinste is die ze verhuren. Precies veertien vierkante meter. Had nog nooit iemand over geklaagd. Ook verhuurden ze alleen aan meisjes.

Ik dacht er van alles over. Niet over het verhuurbeleid en de minuscule kamer, maar over dat meisje en die gesloten gordijnen. Werkte ze ’s nachts? Had ze teveel gedronken de vorige avond? Had ze een zonneallergie? Was ze naar haar ouders in het noorden en vergeten de gordijnen open te doen? Was ze bekneld geraakt tussen haar slaap- en woongedeelte? Was ze dood?
 Dágen achtereen waren ze dicht en soms keek ik er lang naar, in de hoop dat ik iets zou zien bewegen, maar er gebeurde niets. Het nam me in beslag, eerst alleen overdag, maar later ook in de avond en ’s nachts. Uiteindelijk kon ik er niet van slapen en lag op mijn rug in het donker te staren, wat ik nogal onaangenaam vind omdat ik dan recht in de werkelijkheid kijk en de uit atomen bestaande velden die alles opvullen wat niet tot zijn eigen massa behoort, door de kamer zie golven. Dus keek ik meestal op mijn telefoon om te checken wat anderen doen rond dat tijdstip.
 Afgelopen nacht, voor het eerst, ging ik uit bed, liep naar het raam en stak mijn hoofd tussen mijn eigen, ook gesloten gordijnen en keek de straat in. De kat van de overburen zat midden op de stoep voor zijn huis en keek binnen een paar seconden op en in mijn richting. Ik zwaaide. Hij bleef kijken. Ik ook. Na een paar minuten rukte ik mijn blik los van de kat en keek, met enige weerstand (en nu weet ik waarom, vertrouw áltijd op je eerste instinct) naar de kamer van het overbuurmeisje. Een adrenaline zoals ik die in geen anderhalf jaar gevoeld had, schoot vlammend door mijn hartstreek en ontplofte in mijn hoofd: de gordijnen waren open!

Mijn vreugde over de verandering was buitenproportioneel groot en net toen ik dacht, doe effe normaal, verloor ik alle gevoel in mijn benen, viel op mijn knieën en kon me nog net omhoog houden op de vensterbank. Wat ik zag was een silhouet dat uit het niets voor het raam verscheen. De vorm vulde zich, verscherpte en werd helder. Het was onmiskenbaar het overbuurmeisje en ik zag haar, zo levendig. Haar ogen wijd open, gericht op de sterrenhemel over onze huizen. Ze droeg een wit nachthemd, even kleurloos als haar gezicht erboven. Met mijn kin op de vensterbank moest ik blijven kijken en zag het gebeuren, hoe ze haar blik liet zakken, zich in slow motion naar mij toe draaide en het maanlicht haar bleke huid liet, (ohmijngod, ja wát), liet schitteren. Serieus. Als bergkristal.
 Op dat moment had ik natuurlijk moeten duiken, dat snap ik nu ook wel. Maar ten eerste kwam die gedachte niet in me op en ten tweede, haar ogen vonden de mijne en sloten me in. Evenals ze zojuist met het firmament had gedaan en ik overbrugde de afstand tussen ons alsof hij niet bestond en zag, geloof me, ik zág het heelal weerspiegeld in haar irissen.
 Ik wilde bewegen, denk ik, en vermoedelijk gebeurde dat ook, want ik bevond me weer achter het raam in mijn eigen woonkamer. En op dat moment dacht ik (totaal zonder enige zinnige aanleiding als je bedenkt wat er zojuist was gebeurd): maar misschien ziet ze mij helemaal niet, ziet ze in het raam alleen maar de weerspiegeling van de lantaarnpaal. Dat bleef ik denken tot langzaam haar rechterarm omhoog bewoog en ze haar hand opstak. Tegelijkertijd opende haar mond en in het licht van de heldere maan fonkelden haar hoektanden. Slechts een moment.
 Liplezen was niet nodig, haar mond vormde een duidelijk ‘hoi’.

Ik weet dus niet hoe dit af gaat lopen, of hoe gevaarlijk het is. Maar eerlijk gezegd, weet ik ook niet of de mogelijke gevolgen ervan slechter zijn dan de situatie waarin ik nu verkeer, die, op zijn zachts gezegd, vrij erbarmelijk is. In ieder geval, ik wilde iemand op de hoogte stellen.
 Sorry dat jij dat moet zijn.