NATASJA EXEL



overbuurmeisje (20): stad

Bericht 18. — uit notitieboek. Er staat bij: deez epiek heet ‘ik ben een camera’. Tja.

29-01-2022



De gracht ligt aan onze linkerkant, breed en languit in de zon. We lopen over het voetpad dat de gracht vergezeld terwijl zij zich rond de stad, rond het centrum slingert als een slang die in zijn eigen staart bijt. Jij stapt naar links in het gras, dat de kade met een schuin aflopend talud scheidt van het water, want er komt een hardloper aan en jij bent nogal groot. De hardloper springt even opzij als hij jou ziet en een micro-expressie van gruwel trekt over zijn gezicht. Ik lach van binnen en jij kwispelt. De riem hangt slap tussen ons in.
 We moeten naar de andere kant van het voetpad omdat er een vrouw op een van bankjes aan de rechterkant zit. Half in het gras, hondenpoep ontwijkend, beginnen we onze omtrekkende beweging. Ze is dezelfde vrouw die ik vanmorgen door onze straat zag lopen toen ik voor het raam stond te relaxen. Blijkbaar niet verder gekomen dan hier. Haar tassen, twee blauwwitte plastic Albert Hein zakken, zien er zwaar uit. Dat leek me vanmorgen al toen ik haar zag sjouwen, schouders kromgetrokken, hoofd gebogen. En zo onhandig ook, had ze geen karretje kunnen scoren bij de Appie? Misschien is ze gewoon oud. Ze ziet er in ieder geval oud uit met haar grijze haar. Het is veel en vies haar met, en dit lukt je alleen als je het héél lang niet wast, dikke plakken die vervilt zijn. Ik constateer dat ze toch een kapsel heeft, want het is gedrapeerd in een schuine lok (plak), die over de helft van haar ronde gezicht valt.
 Een shaggy bungelt slap tussen haar vingers, een in spijkerbroek gestoken mager been over het ander geslagen, kijkend naar de gracht, naar de slang die schittert in de zon.
 We lopen nu voor haar langs en groeten, waterig blauwe ogen kijken naar ons op. Niet vermoeid, niet zielig, (en verdomd, niet oud), maar als een dier dat zich volledig thuis voelt in zijn omgeving. We bevinden zich op haar territorium, de straat.
 Jij stopt en stapt zelfverzekerd in haar ruimte. Uit jouw borst rolt een grommend geluid, heel zacht, zo in haar schoot. Ze legt haar hand op je kop en je steekt je neus naar voren. Raakt even haar wang. Ik zie dat ze moet lachen om iets wat je zegt en haar bruine tanden zien het daglicht. Ze schitteren niet zoals die van jouw baasje en ik vraag me af of ze in hun vervallen staat nog even dodelijk zijn. Ik kijk niet weg. Mijn netvlies maakt een foto. Sommige dingen kun je niet ontzien. Onwillekeurig ga ik met mijn tong over mijn eigen tanden.
 Ik draai me om en kijk naar de gracht omdat ik jullie niet wil storen. De zon schijnt fel en haar weerspiegeling in het kabbelende water van de gracht is net zo ongenadig en brandt de tanden uit mijn herinnering. Ik scherm mijn ogen af.
 En als jij afscheid neemt en aangeeft dat we verder kunnen, volg ik je blind.