NATASJA EXEL



overbuurmeisje (22): inzicht

Bericht 20. — uit notitieboek.

01-02-2022



Nadat Henk en ik geen ruzie hadden gehad, vanwege de mogelijk fatale gevolgen, maar elkaar wel negeerden, was ik vroeg naar bed gegaan. Er was geen reet aan, de avond zonder Henk.

Vóór Henk was ik, zeg maar, meestal zalig onbewust van hoe ongelukkig en eenzaam ik echt was. (behalve als ik onverwacht aan jou dacht en een vluchtig moment niet begreep waarom je er niet was)
 Maar nu, nadat Henk (of eigenlijk eerst zijn baasje) in mijn leven was gekomen en ik ineens van alles te doen had, wist ik niet meer goed hoe ik me ook alweer gedroeg als ik alleen was. En omdat ik er echt niet op kon komen en er van in de war raakte, ging ik maar naar bed.
 Ik was er meer van ontdaan dan ik had gedacht. En in bed zat ik met een boek op mijn schoot en mijn leesbril op niet te lezen. Ik keek door de bril naar mijn kamer, het was een blur van vormen. Zo voelde het ook in mijn hoofd. Ik probeerde de hele toestand te overdenken en inzicht te krijgen in wat ik nou wilde, hoe ik mijn leven wilde invullen in de toekomst, en in welke staat. (hoeveel gradaties ondood waren er eigenlijk?) Er kwam niets. Alleen nog meer gedachtes die als vage amorfe vormen in elkaar vloeiden en geen antwoord wilden worden, of dan tenminste een normale vorm.

Wat als ik het nou eens omkeer, dacht ik ineens. Wat als zij niet meer terugkomt? Wat als Henk hier niet meer is?

En dát greep me bij de keel. Ochzejezus, mijn god, neen. Het alleen zijn en de stilte die ik altijd enorm gewaardeerd had, doemde voor me op als zielloos lege negatieve ruimte gevuld met oorverdovende witte ruis. Als een groot zuigend niets waarin ik zou verdrinken als het hondje van Goya en alleen al bij die gedachten werd ik overspoeld door moedeloosheid. Ik kokhalsde.

Nou, verdomme zeg, over inzicht gesproken.
 En toen dacht ik het andere uiterste: wat als ik een van hen wordt? De gedachte was nog niet volledig of ik hoorde een bericht binnenkomen op mijn telefoon én stond Henk naast het bed met zijn deken in zijn bek. En heel langzaam legde hij eerst zijn deken op bed en volgde daarna zelf, poot voor gigantische poot. Behoedzaam draaide hij in een bol waardoor hij meteen de helft kleiner werd, legde zijn kop op bed en keek vanonder zijn wenkbrauwen van de telefoon naar mij.

Oké…

Ik opende whatsapp.
 ‘Ik kom morgen thuis.’

Over de telefoon heen zag ik hoe de blur die Henk was, zijn staart uitvouwde en begon te kwispelen.
 Ik deed mijn bril af en de wereld werd helder.