NATASJA EXEL



overbuurmeisje (25): mythe

Bericht 22. — in een bijna onleesbaar handschrift op een tiental losse blaadjes.

03-02-2022



‘Wat de fuck heb je met hem gedaan!’

Henk en ik kijken elkaar verbouwereerd aan terwijl we voor de deur staan van Henk’s huis. Met wie hebben we wat gedaan? denken we tegelijk. Het moet dan met Henk zijn, de hij/hem in deze context. We willen allebei naar Henk kijken, maar dat is voor Henk zelf nogal moeilijk, dus hij zet zijn tasje met spullen neer, tilt een voorpoot op en probeert er onderdoor te kijken. Ik stel me zo voor dat hij alleen zijn buik, de andere drie poten en zijn zaakje ziet en moet constateren dat die onderdelen nog hetzelfde zijn als altijd. Als hij daarna gaat zitten en een bijna perfecte ardha matsendrasana (yoga voor zittende twist) uitvoert om zijn rug te bekijken, zie ik wat ze bedoelt.
(Gelukkig ben ik goed in raden wat anderen bedoelen.)

‘Oooh, dat, nou we hebben hem eerst gewassen met babyshampoo en toen geborsteld en daarna goed gekamd met het herderharkje. Hele plukken ondervacht kwamen er los. Echt zowat een hele hond. Ja, he, Henk.’
Henk schiet als een veer terug uit zijn wokkel-pose en knikt enthousiast.

Met een klap smijt ze de deur dicht.

Henk en ik kijken elkaar voor de tweede keer verbouwereerd aan. Er zijn mensen die zeggen dat niets ze meer verbaasd, Henk en ik horen daar niet bij.

We zijn nog niet bekomen of de deur zwiept alweer open. Met open mond en bek staren we naar de vampier die in de deuropening hangt/zweeft, fabelachtig mooi, een boosaardige engel. Ze slaat beide handen voor haar mond en giechelt.
 Ik kijk naar Henk en roep zonder woorden: ja! ik heb het geraden, ze maakte een grapje!
 Henk schudt nee. Ja echt, zeg ik. Hij kijkt van haar naar mij naar haar, helemaal in de war. Zijn instinct trekt dit soort complex menselijk gedrag nog steeds niet. En als hij een stapje achteruit doet, vermoed ik dat hij het ook niet helemaal vertrouwd. Die bedoeling was ook vrij duidelijk.

Ze daalt neer en staat voor ons. Met een handbeweging stuurt ze Henk naar binnen. Geen aai, geen geknuffel, geen ‘oh, daar is het baasje weer’. Ze pakt zijn tas op en gooit die achter hem aan de gang in. Als ze zich naar mij draait, valt het me op hoe goed ze eruit ziet: haar huid schittert, haar gezicht is voller en haar wangen kleuren roze als was ze een porseleinen pop. Echt, velen malen beter dan voor haar ‘vakantie’. Ze hoort mijn gedachten en zegt:

 ‘Ik ben gevoed en verzorgd. Nu kan ik er weer tegenaan. En nee, ik wil er niet over praten.’

Dat begrijp ik wel, want ik wil zeggen dat Henk ook gevoed is en denk aan de vliegende arm in het park, maar daar wil ik ook niet over praten.
 Ze bedankt me voor het oppassen, dat was top en sorry dat ze langer weg was en niet gebeld had omdat ze haar mobiel moest inleveren. Ze zegt dat ze nu eerst gaat proberen om Henk weer in zijn oude staat terug te krijgen, want wat de fuck heeft hij gegeten dat hij zo ruft en waarom kijkt hij zo vrolijk en ze sluit (bijna) af met dat ze blij is om me weer te zien (ze zegt het niet, maar ik hoor de wegebbende gedachte nog net).
 Mooie shit-sandwich denk ik. Ze houdt haar hoofd schuin, niet bijdehand gaan doen, telepateert ze. En ik schud nee.
 Ze zucht.
 ‘Het is een mythisch wezen, weet je, en mijn bescherming tegen dingen die je echt niet wilt weten. Wij bestaan op het scherp van de snede en als hij, Garmr, geen angst inboezemt en zijn ware aard verliest, dan zijn we gedoemd.’
 Ze legt haar hand op mijn schouder. Koud. Ik wil nog wat zeggen over Gaarm, Guur,… Henk zijn ware aard, maar ze is al weg voordat de deur dicht valt.

Ik loop terug naar de overkant en denk aan Henk, het mythische wezen, de hellehond. Ze heeft gelijk, ik deed natuurlijk gewoon alsof dat niet zo was.
 Als ik boven ben ga ik voor het raam staan en zie de kop van Henk aan de overkant, tussen de gordijnen. De eenzaamheid, waarvan ik dacht dat die verdwenen was maar die al die tijd gewoon boven me hing, zakt van het plafond naar beneden en valt als een deken over me heen. Met zware armen trek ik de gordijnen dicht.

Als ik in bed lig denk ik aan de remedie. En ik hoef niet te raden, ik zie het helder voor me. En mijn wereld kantelt een ogenblik als ik besef dat ik ook onderdeel van de mythe kan zijn.