NATASJA EXEL



overbuurmeisje (35): tijdstip

Bericht 32. – uit notitieboek.
 Er zijn een paar dagen verstreken sinds Henk en ik weer samen zijn. Het handschrift is buitengewoon fraai, doch is de pagina bedekt met bloedvlekken. In een van de bloedvlekken op de bladzij ontdek ik de vorm een pootafdruk. Ik laat het aan Henk zien. Hij grinnikt en herinnert me eraan dat het een paar spannende dagen waren en dat ik een stuk grappiger ben sinds ik dood ben. Het is altijd maar weer de vraag waar die hond het over heeft, dus ik knik, want gelijk heeft ie sowieso.


15-02-2022



Er werd aangebeld, Henk blafte welgeteld één keer en kreeg dan ook welgeteld één trap, waarna ik zo hard wegrende dat ik de huiskamerdeur achter me dichtketste voordat hij dezelfde lucht inademde als ik.
KLAPKRAK, KGGGRAK.
Hier komt Sjonnie! riep de kontsnuffelaar en stak zijn muil tussen de twee deurhelften door. Ik stak mijn hand naar achteren op ten teken dat ie normaal moest doen voordat ik de voordeur opende. Hij deed het en dat was mazzel.

Voor de deur stond Agent 1 op zijn telefoon te kijken.
 ‘Ja?’ zei ik om maar de beleefdste te zijn. Hij mompelde ‘sorry voor het late tijdstip’, keek naar me op, wilde blijkbaar iets zeggen, maar deed het niet. Ofwel, hij deed het wel, maar het was totaal onverstaanbaar. Hij staarde naar me terwijl een willekeur van klanken zijn bek verlieten. Ik dacht ja, doei en begon de deur dicht te doen toen hij zijn voet ertussen stak.
 ‘Auw, godverdegodver,’ kermde de lefgozer en ik trok met tegenzin de deur weer open. Deze man was erg onbeleefd. In vergelijking met wie? zei Henk in mijn hoofd. Met jou? Daar had hij een punt en ik liet de man binnen met het gevoel dat hij daar spijt van zou krijgen.

In de salon ging ik naast hem voor het raam staan. Ik keek met hem mee van links naar rechts door de straat en van hier tot aan het huis van de overburen. Onder het maanlicht sloegen we met onze kijkbeweging een kruis en ik werd even misselijk. Ik zag met hem dat de straat weer vrijgegeven was en alle afzettingen verwijderd. Hij had een onbestemd gevoel toen hij mijn blik mee omhoog trok naar haar raam. Zijn herinneringen waren zo intens dat niet alleen het dossier en de foto’s zich voor ons ontvouwden, maar ik ook mezelf in de ogen keek vanaf de andere kant van de verhoortafel. Het was dat hij constateerde dat ik dat was. Zelf had ik geen idee waar ik naar keek. Voorstadium was het woord dat bij me opkwam bij het zien van de rupsachtige gedaante in de doorgestikte kokon. Hij keek even opzij en ik wist dat hij de band voelde die ik had gesmeed. Zijn angst, als hij die al had gevoeld, ik vermoedde van niet, zou nu zijn verdwenen.

Ik bekeek hem terwijl hij tegenover me zat op de groen fluwelen bank waar zij ook had gezeten en me in zijn bekende stem vertelde dat mijn getuigenverklaring in het moordonderzoek niets concreets had opgeleverd. Al die tijd ontweek hij mijn blik, keek langs me heen en ik voelde hoe hij zich verbeet (om niet op te staan en me aan te raken, ik kende de aandrang). Zou ik…?
 Henk zat naast hem en leunde tegen de bank, Agent 1’s hand op zijn kop en hij keek naar mij. Nee, was alles wat hij zei. Uit alle macht moest ik me bedwingen om niet naar de man naast hem te schreeuwen dat hij moest vertrekken nu het misschien nog kon omdat mijn aandeel ontegenzeggelijk was en dat het onmogelijk was dat ze me niet zwaarbewapend en met loeiende sirenes onder ME begeleiding weg kwamen slepen, me in een put gooiden, in brand staken, vernietigde.
 Ik stond op.
 Henk deed hetzelfde.

Ik opende mijn mond en op dat moment verliet het laatste restje menselijk schuldgevoel mijn wezen.

 Ik ging weer zitten.
 Henk deed hetzelfde.

Toen duidelijk werd, vooral voor Agent 1, dat hij dit huis niet meer zou verlaten, keek hij me eindelijk aan. Adembenemend was het laatste dat hij dacht en legde zijn hand op mijn wang. Ik was blij voor hem.

Er werd aangebeld.