NATASJA EXEL



overbuurmeisje (36): monster

Bericht 33. – uit notitieboek. Interessante informatie. Althans, voor mij, want ik had hier totaal geen herinnering aan. Expres, zegt Henk. Niet waar, zeg ik. Wel, zegt hij. Niet, zeg ik. Schrijf je dit nou op? zegt hij. Nee, zeg ik.

Nou, ik zou zeggen, parkeer jezelf op je stip, want dit is een onnodig lang bericht.
16-02-2022


Ik stond een tijdje met de voordeur en mijn mond open te kijken naar iets wat ik niet zo snel kon plaatsen. Ondertussen is het wel duidelijk dat ik dat vaker heb, maar in dit geval had ik het idee dat ik dit ‘iets’ absoluut moest kennen. Er kwam niets.
 Voor me in het portiek stond een gedaante. En hij (of het) leek op een man. En verdomd, jongens, het was een fraai exemplaar. Mijn cryptonite. Dus in plaats van op mijn hoede of beleefd te zijn, vroeg ik me ineens af hoe ik eruit zag en wat ik eigenlijk aan had. Ik sloot mijn mond.
Hoi.
Hij tikte tegen zijn hoed en keek met donkere ogen onder de rand door.

 Ik pulkte aan mijn witte gewaad. Normaal gesproken bewoog de stof van het ding vrij onnatuurlijk rond mijn lichaam, ook als het niet waaide. Maar ook hier gebeurde niets. Het vertelde me wel iets, dat ik dat deed, dat pulken. Het was een belangrijke aanwijzing voor wat betreft mijn gevoelens voor hetgeen dat op de bel had gedrukt ten opzichte van mijn meer algemene empathie voor anderen. Ik had mezelf altijd bijzonder gelukkig geprijsd dat ik een van die mensen was die het geen reet kon schelen wat anderen over ze denken. En nu denk je ja ja ja, maar echt.
 Geen. Enkele. Reet. Heerlijk.

En nu probeerde ik dus de jurk te laten wapperen. Nochtans niets. Het leek verdomme wel of ik aan duct tape stond te trekken. Hou daarmee op. Ik wilde me verstoppen en keek om me heen. En op dat moment miste ik mijn overleden dekbedjas enorm.
 De gedaante aan de andere kant van de drempel stak een hand in zijn zak en leunde met de andere op iets waarvan ik zou zeggen ‘kijk goed, jongens en meisjes, dat is nou een pimpstick’. Maargoed, ik stond dan wel van binnen lekker cynisch te zijn, toen hij zijn hoofd schuin hield en me duidelijk geamuseerd uitgebreid van boven tot onder opnam, kreeg ik het toch echt wel warm. Er ving een hevig gefladder aan in mijn borst als een vleermuis die wakker wordt in een vogelkooi en terecht pislink is.
 Ik moest hem aankijken. Zijn ogen werden lichter, hij kneep ze samen. Als een wolf, dacht ik en vroeg me af waar die andere nephond was als je hem nodig had. Henk! Wo bist du? riep ik in gedachten en voelde hem in de buurt. Hij kwam niet. Wel verdomme. Tschüs fluisterde hij en verdween in een schulp. Ofwel, hij peerde ‘m.
 De enige wolf die ik nu nog over had stond voor me. Zijn bovenlip week van zijn tanden en hij lachte. Fabelhaft. Teveel tanden, teveel… Mijn knieën knikten. Hij had me duidelijk gehoord en ik keek snel weg. Naar beneden dan maar. Daar werd ik verrast door een bijzonder patroon van bloed op mijn blote voeten.
 Voorzichtig liet ik mijn blik naar boven glijden naar de zoom van mijn kleedje. Wat ik daar zag had niets met plakband te maken. Het had meer weg van verzadigd maandverband. Attenoje, zelfs ik vond het een gore bende. De rooddoorweekte stof was als papier-maché een geworden met mijn bovenlichaam en benen. Uhmm? Iemand?



Ohjaaa, ik wist het weer! Dáár was ik mee bezig. Of eigenlijk, ik was er net klaar mee toen de bel (die het al jaren niet deed) ging. Ik keek onwillekeurig achterom, de deur van de Salon stond nog open. Het bloed van Agent 1 lag tot in de hal. Zonde. Hihi. Ik zag weer voor me wat er ook alweer gebeurd was en… oh fuck me, ik besefte me dat de ergheid van mijn verschijning erger dan erg moest zijn.
 De hand die geen deurknop vasthad bewoog langzaam naar mijn gezicht. Voorzichtig tapte ik met een vingertop op mijn wang zoals je voelt of de lak op je kozijnen al droog is. Niet dus. Ai. Ik moest eruit zien als een aasgier die zojuist zijn kop uit de ingewanden van een zebra had getrokken.

Waarom zit ik dit ook weer te vertellen? Ohja, omdat het me dus ineens wel kon schelen wat er over me gedacht werd. Zomaar. Ineens. Ik begon er net stress van te krijgen toen God boven ons de donkere hemel opende en de maan liet manifesteren. We keken allebei naar boven — het was namelijk best indrukwekkend — toen het licht van opzij het portiek binnenviel en onherroepelijk alles veranderde.
 Ik voelde tot in mijn tenen hoe de tijd samenvouwde tot een moment waarop simultaan op meerdere plekken zaken voor het voetlicht traden. Allereerst in het portiek waar het wezen of de man zijn hoofd draaide en maanstralen over diens huid streken, zo schitterend dat ik mijn ogen moest sluiten, maar niet voordat ik zijn gezicht had gezien en als tweede in mijn geheugen waar een langgesloten deur werd geopend en een lichtschakelaar werd omgeflipt in een kamer waar het wezen zijn hand naar me uitstak en ik eindelijk zag dat jij het was.

Ik opende mijn ogen. Of. Mijn ogen waren geopend.

En nu stond je voor me en ohgod, je was nog steeds zo fel dat ik de schellen weer over mijn ogen moest laten zakken. Ware het niet dat jij behendig mijn blik ving en vastklonk in je abnormaal lichtblauwe ogen voor je me bij je naar binnen trok. Je liet me voelen wie je was. Ik wist het al. Wát je was. Ohgod, ik vreesde het al.

En, wát ik was. Helpme.

Je vroeg of je binnen mocht komen en met een zucht, een langverwachte uitademing, sleurde ik je bijna met geweld over de drempel. Mijn kracht verraste je en je lachte van trots, boog over me heen en beteugelde me met geweld in je armen. Vergeef me vroeg je adem die langs mijn oor streek en mijn wang bevroor. Ik opende mijn lippen om dat te doen, maar in plaats daarvan vond ik de jouwe. Fel licht schoot dwars door me heen. Mijn lichaam schokte op het moment dat mijn dode hart weer op gang kwam. Van schrik en immense vreugde sloeg het een paar keer dubbel.

Je droeg me door de hal langs de spiegel en ik keek opzij om ons daar te zien. Ter bevestiging. In de weerspiegelde ijlheid zag ik slechts een lichte schittering die ons voortbewoog.
 En of het bevestiging was. Bevestiging dat jij terug was, dat ik weer in jouw armen was, dat je mooier, kwaadaardiger en fabelachtiger was dan toen je verdween, dat ik banger dan ooit voor je was en tegelijkertijd nog nooit zoveel van iets gehouden had en als rottende kers op een taart vol maden dat ik onmiskenbaar een monster was…

“Now you know what we are, now you know what you are, you will never grow old and never die, but you must feed, Michael,” onderbrak de voice-over-stem van Agent 1 mijn gruwelijk besef en ik hoopte dat als ik mijn ogen sloot, mijn hart weer zou stoppen.