NATASJA EXEL



overbuurmeisje (8): barst

Bericht 7. — uit notitieboek, 14-01-2022



Terug naar gisteren:
 Na het douchen ben ik niet alleen heel erg schoon, maar ook verschrikkelijk moe. De afgelopen dagen hebben me uitgeput, zowel mentaal als fysiek, en ik slof op mijn wenkbrauwen naar het bed waarin ik, zo te zien aan de strakgespannen staat van de hospitaal hoeken, de afgelopen nachten niet geslapen heb. Waar dan wel is me een groot raadsel dat me op dit moment geen reet interesseert.
 Ik schuif onder het dekbed en zak weg in de topper. Ooit kwam ik tot de ontdekking dat je matras nog zo oud kan zijn, het IKEA TUSTNA topmatras verbergt en bemantelt en neemt elk denkbaar ongemak dat zich onder haar afspeelt in een liefdevolle omarming. Ik wentel me in de ware schoot der Scandinavische liefde en zodra ik mijn ogen sluit valt mijn lichaam naar de diepte.

Het is donker als ik mijn eigen stem hoor en mijn ogen open. De nacht is nooit een één-op-één versie van de dag. Het is zonder licht nooit egaal obscuur, maar een bewegende fladderende atmosferische toestand waarin het soms moeilijk is om je eigen meubels te ontwaren zoals ze zich voordoen in hun daglicht-vorm.
 Mijn eerste theorie daarover is, en ik gaf dit al eerder aan, kwantumvelden en de werkelijke werkelijkheid. Maar soms denk ik daar anders over en nu kijk ik rond en vraag me af of het niet gewoon nachtblindheid is. Ik baseer dit op het feit dat ik tijdens het autorijden ’s nachts ook maar op goed geluk de lijnen op het wegdek volg, wat op een tweebaansweg niets minder betekent dan een potje ouderwetse Russisch roulette. Nu rij ik al tien jaar geen auto meer (ook wel een geinig verhaal trouwens), dus dat is gelukkig weer een gek minder.

Pas na een tijdje denken over autorijden en hoe de pedaal-intrap-volgorde ook alweer is nadat je je sleutel hebt omgedraaid, voel ik hoe gestrekt ik lig. Stijf languit op mijn rug, benen naast elkaar, handen gevouwen op mijn borst. En ineens herinner ik me mijn droom. Hij ging over haar én over mezelf. Alsof we ons niet elk aan een andere kant van de straat bevonden, maar samen waren.
 In de droom lagen we naast elkaar in mijn bed, zo sereen en vredig. Koud, maar vredig. En ik had opzij gekeken naar het Rafaëliaanse profiel van haar hals en gezicht. Haar marmeren huid had weer geglinsterd zoals die nacht dat ze door de maan verlicht werd en ik was niet bang. En net toen ik had besloten een gesprek te beginnen over waarschijnlijk haar niet-levende-toestand (wat kon er in jezusnaam op dat specifieke moment pertinenter zijn), had ze haar gezicht naar me toegedraaid. Ze sloeg haar ogen open en een geluid van knappend porselein spatte door de stilte. Ik hield mijn adem in toen haar gezicht barstte en ragfijne lijnen zich als ijssterren over haar wangen verspreidden. Haar veel te lichtblauwe ogen weerspiegelden niet wat er met haar gebeurde, maar keken me aan alsof ze me kende. Haar stenen lippen vormden: ‘hoi’, precies als het eenzijdige gesprek dat we al eerder gevoerd hadden. Maar deze keer dook ik niet weg, ontkende ik het niet. Ik was ik dus echt niet bang. Door wat er gebeurde. Door de barsten in haar façade.

 ‘Hoi’, zei ik terug tegen niemand in het donker en werd wakker.

Ik kijk opzij en ontwaar de lege kant van het bed die zich net zo eindeloos leeg en verlaten voordoet als in het daglicht.