NATASJA EXEL



overbuurmeisje (9): eenzaam

Bericht 8. — uit notitieboek, 16-01-2022



Helemaal aangekleed in echte kleren, sta ik in de keuken naar een pan te kijken die mijn broccoli aan het stomen is. Beide dingen geven blijk van een, onverwachte, enorme sprong voorwaarts. That’s one small step for a normal person, one giant leap for me! Ik hoor mezelf grinniken terwijl ik het half rauwe fractalachtige gewas op mijn bord kieper en aanvul met een flinke schep jasmijnrijst. Ik voel me een Spartaan. Wel een met een knellende broekband na de hele rozekoek- en mars-fase (en nee, wegspoelen met liters water verdund niet het aantal calorieën, die weten het in de waterbuik gewoon te overleven, onderschat nooit hoe volhardend en onverwoestbaar transvetten zijn).
 Ik trek mijn broek wat omhoog in de hoop dat de band zich ergens in mijn ‘natuurlijke’ taille nestelt, zoals mijn personal trainer die ook ooit met haar centimeter omwikkelde.
 ‘Kijk, ik meet de tailleomvang precies waar de centimeter als vanzelf in valt.’ Ik keek. Eigenlijk hoefde ik niet te kijken, want ik weet echt wel waar mijn taille ophoudt en mijn ribbenkast begint en daar zat het meetlint strak omheen. Ze trok hem nog iets aan. Bijna zei ik: “auw, mijn rib buigt door”, maar hield mijn mond. Ik vind het fijn als anderen tevreden zijn. Vooral mensen die me daarna nog bij volmacht pijn gaan doen via dumbells, halters, diverse fitnesstoestellen én, het meest zum kotzen, het eigen lichaamsgewicht. En in dat laatste geval kan dat getalletje op die strakgetrokken centimeter maar beter science fiction laag zijn.

Met mijn bord op schoot zet ik Netflix aan en ga naar ‘mijn lijst’ die vol staat met elke mogelijke vampierfilm, -serie en -docu die ik kon vinden. Tevens bevinden zich op mijn harde schijf nog wat jaren ’80 en ’90 films zoals Interview with the vampire en The lost boys. Die laatste heb ik zo vaak gezien dat ik soms niet meer weet of ik sommige dingen nou zelf heb meegemaakt.
 Bijvoorbeeld die keer dat de andere jongens me Michael noemden en me meenamen naar een kampvuur waar een soort rednecks in leren jassen op-en-neer stonden te springen onder het schreeuwen. Vervolgens gingen ze die bijten en dat vond ik zowel heel erg als heel leuk, ik smakte zelfs met mijn lippen waarbij het me opviel dat ik ineens hele grote tanden had. En toen wilde ik wegrennen, maar struikelde en terwijl ik op de grond lag zei een van de jongens:
“Now you know what we are, now you know what you are, you will never grow old and never die, but you must feed, Michael.”

Nou, dat is dus verwarrend, want ik ben nog niet gebeten door een vampier en ik denk ook niet dat ik dat zou vergeten. Wat betreft de naam, tja, ik vind mezelf op zich wel een Michael. Maar ik vermoed toch dat dit een stukje uit de film is. Evengoed hou ik een slag om de arm.

Ik wil er zo graag met iemand over praten. Een beetje sparren over de hele situatie en wat ik nu het beste kan doen. Maar er is niemand. De enige die ik in vertrouwen heb genomen stelde alleen een stomme vraag en stuurde een nog stommere foto. Rot op met je kutski’s.

Na het eten is het ineens donker. Ook binnen. In plaats van de lampjes aan te doen loop ik naar het raam, ga ervoor staan en kijk zonder enige terughoudendheid (of angst) naar de overkant.
 Daar staat ze. Het is een heldere avond met een firmament vol sterren en planeten. De maan, die recht boven ons staat is een stralende gekantelde lach en werpt fel blauw licht onze huizen binnen. We zien elkaar bijna direct. Haar hand en mijn hand bewegen tegelijk omhoog en op het moment dat onze monden tegelijk dezelfde woorden vormen, voel ik me opslag niet meer eenzaam.

 ‘Ik ben er.’